Feuilleton Abramovic - PhD

Aflevering 146 Abstractie, geometrie, keramiek, textiel: vrouwelijke beeldtaal

Miriam Schapiro, Collaboration Series: Mary Cassatt and Me, 1976. Collage, waterverf op papier.

In femmage-techniek (zie aflevering 145) geeft Schapiro een verbinding aan tussen de sociale creativiteit van de vrouw (het verwerken van lapjes) en het werk van een succesvol kunstenares. Deze foto vond ik op Flickr.

Seksualiteit, fragmentatie (afleveringen 140-144), het huishouden (aflevering 145), en dan nu het beloofde derde niveau: de zogenoemde traditionele vrouwelijke creativiteit van de vroegere, oude natuurvolkeren. Volgens Marlite Halbertsma biedt ook dat een aanknopingspunt voor het formuleren van een vrouwelijke esthetica (Feministische kunst internationaal, 1978, p.11).

Eeuwenlang hebben vrouwen in allerlei culturen vele (gebruiks)voorwerpen in keramiek en textiel gemaakt. Ze bouwden hutten en versierden deze met abstract-geometrische motieven. Halbertsma wijst erop dat ‘Amerikaanse feministische kunstenaressen deze decoraties of het decoreren als handeling tot uitgangspunt hebben genomen voor feministische schilderijen en objecten’ (p.11).

Halbertsma geeft hiervan geen voorbeelden, maar verderop in de catalogus vond ik een werk van Miriam Schapiro dat past in deze categorie (Feministische kunst internationaal, 1978, p.44, zie de afbeelding bij deze aflevering).

En nu?

Nu hebben we drie niveaus van vrouwelijke beeldtaal besproken, gezien en doorgespit, maar wat moet je ermee? Zijn de wezenlijke eigenschappen van de vrouwelijke esthetica inderdaad abstract-geometrisch (niveau 3), met vertoning van het element herhaling (niveau 2, aflevering 145) en in de vorm verwijzend naar het geslacht van de maakster (niveau 1, afleveringen 140-144)? En is het specifiek iets voor vrouwelijke kunstenaars om bestaand materiaal opnieuw te gebruiken en toe te passen in een fragmentarische, collageachtige werkwijze bij het maken van objecten en het inrichten van ruimten?

In deze tijd lijken de feministische puzzels van de vrouwelijke kunstenaars uit de jaren 1960/70 gedateerd. Was het niet simpelweg – achteraf gezien, als alles gemakkelijker te snappen is – een stap op weg naar de ontsnapping uit de patriarchale vesting?

Wat goed is, heel goed, en nuttig, want niemand mag vastzitten in een vesting. En elke kunstenaar moet een eigen beeldtaal zien te vinden, een eigen stijl. Waarmee meteen het nadeel van het formuleren van een vrouwelijke esthetica aan het licht komt: er kan een feministisch essentialisme ontstaan, ofwel: het in beelden positief benadrukken van de vrouwelijke identiteit.

Dé vrouwelijke identiteit of een?

About the author

Susan Hol

Leave a Comment