Feuilleton Abramovic - PhD

Aflevering 578 Ik draag een kort rokje en …

René Magritte, Ceci n’est pas une pipe (Dit is geen pijp), 1928.

Afbeelding gevonden op museumtv.art.

Feministen storten zich op de deconstructie van de processen waarmee betekenissen worden geproduceerd (bedoelingen) en hoe mensen (man/vrouw) zijn vastgelegd in taal (zie aflevering 577).

Ze maken daarbij gebruik van het idee van een symbolische orde, schrijft Griselda Pollock. Dit idee is ontwikkeld in de structurele antropologie.*

Pffft, wat is dat nou weer. Antropologie weet ik wel. In termen van Van Dale is dat: leer van de mens als natuurhistorisch wezen. Van Dale noemt ook de criminele, culturele, filosofische, fysische en historische antropologie. Tjonge, ja, nou ja, je hebt natuurlijk de mens als misdadiger, als kunstenaar, als denker, als biologisch wezen, met een geschiedenis. En nu heeft dus ook nog iemand de structurele antropologie bedacht. Van Dale weet daar dan weer niets van.

Op internet wordt de structurele antropologie telkens in een adem genoemd met Claude Lévi-Strauss (1908-2009), Frans cultureel antropoloog volgens wikip. Vandaaruit kom ik bij de structuralistische taalkunde en krijg ik een flashback naar de transformationeel generatieve grammatica (TGG) van Noam Chomsky, die ik op de lerarenopleiding Nederlands/Engels zeer interessant vond en die tegelijkertijd mijn waterloo was: ik kon er maar geen voldoende voor halen waardoor ik genoodzaakt was de studie te stoppen. De TGG bestaat uit het diep doordringen in de structuur van de taal, zo diep dat je nog nauwelijks de taal herkent en in feite een soort wiskundige bomen aan het bouwen bent.

Chomsky ontwikkelde de TGG in de jaren 1950 als verzet tegen de structuralistische taalkunde, wat ook wel kortweg ‘structuralisme’ wordt genoemd. De basis van het structuralisme is ons gebruik van tekens: gebaren, grimassen, versprekingen, verkeersborden … alle tekens waarbij een ander genoodzaakt is deze te interpreteren. Het gaat dus niet per se om de verbale, maar zeker ook om de non-verbale tekens.

Toen Lévi-Strauss kennismaakte met het structuralisme, combineerde hij dit met zijn kennis van de antropologie en vormde zo de structurele antropologie. Wat is dan die symbolische orde die feministen wel konden gebruiken? Dat is het systeem van menselijke interpretaties van alle tekens in de wereld om haar heen. Ik draag bijvoorbeeld op een mooie zomerse dag een kort rokje en een ander interpreteert dit: de een denkt: goed idee, ga ik ook doen!; een ander denkt: leuk rokje, waar zou ze dit gekocht hebben?; een derde fluit vanaf de bouwsteiger, wat ik dan weer interpreteer; een vierde schrijft een stukje over ‘rokjesdag’.

Symbolische orde is dan niet zozeer te begrijpen als een bepaalde symbolische volg- of rangorde, maar als ‘een ordening van wetten en posities van een bepaalde samenleving of cultuur’, zoals feministen volgens Pollock* hebben beweerd over hoe je taal kunt begrijpen.

Je leert spreken in de cultuur van je taalgebied. Je krijgt met andere woorden de patriarchale cultuur met de paplepel naar binnen gegoten. Het is daarom een halswerk om een vinger te krijgen achter de precieze onderdrukkende taal en tekens, en dus ook wie nu eigenlijk wat representeert in een kunstwerk en wie dat interpreteert, wie daaraan betekenis geeft, wie wat voorrang geeft.

Feministische kunstenaars nemen dan ook aan dat artistieke praktijken betekenissen voortbrengen, waardoor de kwestie van de positie van het onderwerp in het werk moet worden geanalyseerd, welk soort ‘lezer’ en ‘auteur’ de tekst vormt.*

*Uit: Griselda Pollock, II Feminism and Modernism. In: Framing Feminism, Art and the Women’s Movement 1970-85. Eds. Roszika Parker en Griselda Pollock, Pandora Press, Londen, 1987, pp.79-119.

About the author

Susan Hol

Leave a Comment