Feuilleton Abramovic - PhD

Aflevering 58 Opgevuld gat in de grond

Links: Claes Oldenburg houdt (knielend) toezicht op voorbereiding van zijn Placid Civic Monument, Central Park New York, 1967, fotograaf onbekend, via artnet. Rechts: Giotto – De bewening van Christus (ca.1304-1306) via kathedralenbouwers.clubs.nl.

Foto links: via artnet. Foto rechts: via kathedralenbouwers.clubs.nl.

Op de site van het Guggenheimmuseum is het volgende over Placid Civic Monument te lezen: ‘Oldenburg realiseerde zijn eerste openbare openluchtmonument in 1967; Placid Civic Monument nam de vorm aan van een conceptuele performance/action achter het Metropolitan Museum of Art, New York, met een ploeg grafdelvers die een rechthoekig gat van 6 bij 3 voet in de grond graven’ (zie hier voor de originele Engelse tekst).

Met deze beschrijving wordt de indruk gewekt dat het om een (gerespecteerd?) kunstwerk gaat, behorend tot de conceptuele performancekunst.

Maar Placid Civic Monument is toch eigenlijk niet veel meer dan een opgevuld gat in de grond? Benjamin R. Tilghman stelt deze vraag in zijn boekje But is it Art? (1987, p. 80-81). Dat is mooi, want die vraag heb ik ook. Het gat, zo schrijft Tilghman, was niet veel om naar te kijken, het was niet van belang als ontwerp, aan het dichtgegooide gat is helemaal niets meer te zien en er is in geen enkel opzicht sprake van esthetische eigenschappen.

Handig toch, zo’n man, hij schrijft allemaal dingen die ik ook denk.

Het feit dat Oldenburg tijdens de ‘conceptuele performance’ openstond voor elke interessante interpretatie, daarmee maakt Tilghman korte metten:

‘Een kunstwerk is niet iets dat we beschouwen als open voor elke interpretatie, interessant of anderszins. In feite brengt de manier waarop Oldenburg het over Monument heeft, het bijna gevaarlijk dichtbij een uitgangspunt voor een oefening in vrije associatie. […] Het onderwerp van elke interpretatie is het onderwerp van geen interpretatie. Het object van dit soort vrijgevigheid heeft geen waarde; het zou net zo goed wat dan ook kunnen zijn.’

Zulke boude uitspraken maken een mens nieuwsgierig naar de onderbouwing ervan. Tot mijn verbazing komt Tilghman aan met Giotto’s De bewening van Christus, een werk uit de veertiende eeuw. Een grotere tegenstelling is haast niet denkbaar. Met dit oude schilderij wil hij aangeven wat volgens hem kenmerkend is voor een kunstwerk.

De bewening van Christus is volgens Tilghman een compositie met een dramatisch centrum, bekrachtigd door de andere figuren die daar zijn samengebracht en met een landschap erachter dat de sfeer van het hele schilderij versterkt. Het schilderij gaat over lijden, dood en verdriet, aldus Tilghman, en niet allerlei andere menselijke ervaringen. Hij geeft toe dat dit wat clichématig is, maar wil ermee aantonen dat niet elke beschrijving of interpretatie waar kan zijn over, of relevant is voor een kunstwerk of iets anders.

Esthetische eigenschappen, oh ja. Doen die er nog toe?

About the author

Susan Hol

Leave a Comment