Feuilleton Abramovic - PhD

Aflevering 586 Officiële cultuur en feminisme

Susan Hol, New York, architectuur, 2011.

Na de paragraaf Kunst, kunstenaars en vrouwen (zie afleveringen 534-548) en de paragraaf Kunst, politiek en vrouwen (zie afleveringen 549-585) gaat Griselda Pollock verder met een paragraaf die ze Officiële cultuur en feminisme noemt.*

De onmiddellijke vraag die ik dan heb is: Wat is dat precies, die ‘officiële cultuur’? Is dat iets bijzonders of bedoeld Pollock de dominante bourgeoisie / kunstwereld / cultuur die voornamelijk wordt bevolkt door mannen?

Ik kan natuurlijk naar het antwoord raden. Zeker in het kader van het stuk van Pollock kan ik vrij zeker aannemen dat het om het laatste zal gaan, maar is dat ook werkelijk zo?

Op internet zoek ik op ‘official culture’, de Engelse term die Pollock gebruikt. Mogelijk bestaat er een vertaling die ik in mijn naslagwerken niet kan vinden. Onmiddellijk verschijnt een antwoord dat overeenkomt met wat ik al dacht: ‘Officiële cultuur is de cultuur die sociale legitimatie of institutionele steun krijgt in een bepaalde samenleving.[1] De officiële cultuur wordt meestal in verband gebracht met de bourgeois cultuur.[2]’ (Official culture, wikip.)

De cijfers 1 en 2 zijn noten die verwijzen naar de bronnen van deze uitspraak.

Bron 1 is een boek van Lisa A. Lewis: The Adoring Audience: Fan Culture and Popular Media (1992, p.31). Verder zoeken levert op dat het boek ingaat op negatieve stereotypen van ‘aanbiddende fans’ en hoe fans als ‘gek’ worden gelabeld. Uitgangspunt is dat in veel opzichten iedereen ‘fan’ is. Punten van onderzoek zijn: wat deze intense bewondering definieert en motiveert, en waarom is het zo’n negatieve lading heeft. Lewis (tv-producer) blijk de editor van het boek te zijn, er zijn dus bijdragen van vele anderen.

Het citaat van bron 1 (p.31 van Lewis’ boek) blijkt uiteindelijk te komen van een bijdrage van John Fiske, getiteld The Cultural Economy of Fandom (pp.30-49, ingezien via epdf.pub). Hij gaat in op het culturele systeem als economisch systeem en dan vooral wat betreft de ongelijke verdeling van middelen. Hier klingelt een marxistische visie op de achtergrond.

Fiske heeft het over ‘de bevoorrechten en de achtergestelden’, het bevorderen en voortrekken van ‘bepaalde culturele smaken en bekwaamheden, met name via het educatieve systeem, maar ook via andere instellingen zoals kunstgaleries, concertzalen, musea en staatssubsidies voor de kunsten, die samen een “hoge” cultuur vormen (variërend van de traditionele tot de avant-garde).’ (p.31, epdf.pub)

En dan komen we bij het bovengenoemde citaat: ‘Deze cultuur is sociaal en institutioneel gelegitimeerd, en ik zal ernaar verwijzen als de officiële cultuur, in tegenstelling tot de populaire cultuur die geen sociale legitimatie of institutionele steun krijgt.’ (p.31, epdf.pub)

Waarna een typisch marxistische toevoeging volgt: ‘De officiële cultuur maakt, net als geld, onderscheid tussen degenen die het bezitten en degenen die het niet bezitten.’ (p.31, epdf.pub) Fiske analyseert dan verder aan de hand van het boek La Distinction (1979) van de Franse socioloog Pierre Bourdieu (1930-2002), een boek over levensstijl en culturele smaak in de verschillende sociale klassen.

Tot zover bron 1. Hoe zit het nu met bron 2?

*Uit: Griselda Pollock, II Feminism and Modernism. In: Framing Feminism, Art and the Women’s Movement 1970-85. Eds. Roszika Parker en Griselda Pollock, Pandora Press, Londen, 1987, pp.79-119.

About the author

Susan Hol

Leave a Comment