Feuilleton Abramovic - PhD

Aflevering 589 Als de bourgeoisie je niet omarmt, heb je het nakijken

Susan Hol, De Klaproos, 18052020, collage, 20 x 23 cm.

Een tegencultuur bestaat niet volkomen op zichzelf, het vormt een alternatief voor een bestaand bastion (zie aflevering 588). Het dominante, ofwel ‘officiële’, en het alternatieve zijn onderling van elkaar afhankelijk.*

Dat geldt voor feministen die proberen de dominante patriarchale kunstwereld/cultuur te doorbreken, maar het gaat ook ver terug in de geschiedenis. Zo verhaalt Griselda Pollock over het Frankrijk in 1870, als een onafhankelijke schildersbeweging opkomt, die wij nu kennen als de impressionisten. De artistieke praktijk die de impressionisten ontwikkelen en de instituties die zij oprichten (genootschap voor groepsexposities en een Salon van Onafhankelijken), worden door henzelf en de outsiders begrepen als anders dan wat op dat moment de dienst uitmaakte.*

Dat moment in de geschiedenis is van veel betekenis voor toen en nu, volgens Griselda Pollock.* Waarbij Pollock met ‘nu’ dan hoogstwaarschijnlijk bedoelt: het feministische debat in de jaren 1970/80 over het doorbreken van de dominante patriarchale kunstwereld/cultuur.

Wat de Onafhankelijken (zoals zij en hun opvolgers zichzelf noemden) deden, schrijft Pollock, kan worden gezien als de oprichting van een vorm van cultuur namens de opkomende bourgeoisie. Nu was die bourgeoisie nog steeds cultureel gebonden aan oudere vormen van kunst die was geproduceerd voor en ondersteund door eerdere dominante klassen, maar de opstand van de Onafhankelijken tegen deze oude doctrine werd opvallend snel opgenomen door de dominante bourgeoisie en als de favoriete cultuur bestempeld (zie ook aflevering 29).*

Dat ging anders bij de kunstpraktijken aan het eind van de negentiende eeuw, de zogenaamde grondvormen van de moderne kunst. Zij vormden een onbeduidende cultuur die wel iets van belofte in zich had (ondanks de enorme nadruk van de modernistische kunstgeschiedenis, die simpelweg al het andere uitsloot). Pas toen de inmiddels tot volle wasdom gekomen bourgeoisie aan het begin van de twintigste eeuw deze onbeduidende cultuur omarmde, kon het zijn overwinning vieren en zich ontwikkelen tot een krachtige dominante culturele vorm: het modernisme.*

Ondanks het feit dat er in de twintigste eeuw veel soorten kunstpraktijken zijn, worden alleen degenen geselecteerd die binnen de protocollen van het modernisme vallen. De kunstcritici bespreken en keuren alleen de werken goed die ze kunnen bestempelen als ‘moderne kunst’. Je kunt zeggen, aldus Pollock, dat het modernisme de alleenheerser is, omdat alles in relatie tot dat modernisme wordt gedefinieerd en geclassificeerd.*

Een van de belangrijkste debatten binnen de vrouwenkunstbeweging gaat over dit probleem, de relatie tussen feministische kunstpraktijken en de dominante culturele vormen en instituties. Je kunt als kunstenaar niet ‘zuiver’ blijven: je raakt besmet als je in contact komt met de kunstwereld. Een bepaalde soort kunst van vrouwen, zelfs een zekere mate van de feministische kunstpraktijk, is opgenomen als een getolereerde en gemarginaliseerde zijlijn. Het is voor eventjes zichtbaar door een aantal ‘excuustruzen’ die zijn aangenomen door de Arts Council of worden genoemd in recensies van critici.*

Volgens Pollock moet aan deze ogenschijnlijke acceptatie nou ook weer niet al te veel belang gehecht worden…*

*Uit: Griselda Pollock, II Feminism and Modernism. In: Framing Feminism, Art and the Women’s Movement 1970-85. Eds. Roszika Parker en Griselda Pollock, Pandora Press, Londen, 1987, pp.79-119.

About the author

Susan Hol

Leave a Comment