Feuilleton Abramovic - PhD

Aflevering 591 Veelkleurige draden van de vrouwelijke ervaring

Rose Finn-Kelcey, The Restless Image: a discrepancy between the seen position and the felt position.

Foto gevonden op site kunstenaar.

Feministische kunstpraktijken zijn bewust gericht op vragen over gender en subjectiviteit, maar hebben last van de zogenaamde ‘gendervrije’ Kunst van mannen (zie aflevering 590).

Hoe schudden zij dat van zich af?

Door zich te bemoeien met de plekken waar de officiële artistieke productie plaatsvindt en aan de kaak te stellen dat het een enge cultuur is die voornamelijk wordt bevolkt door mannen. Waarmee Griselda Pollock niet wil zeggen dat feministen moeten toetreden tot die gevestigde orde, want dat is volgens haar onmogelijk en uiteindelijk schadelijk. Het gaat om een geheel van samenhangende strategieën, materieel, sociaal, institutioneel en tekstueel, die het seksisme van de culturele instituties en hun protegés (die op hun beurt meewerken aan deze structurele ongelijkheid) blootlegt en uitdaagt.*

En dan komt Pollock eindelijk toe aan wat de titel van haar artikel belooft: feminisme en modernisme. Ze opende haar artikel onder het kopje Wat is feministische kunst? (afleveringen 467-533). Daarna volgden de paragrafen Kunst, kunstenaars en vrouwen (afleveringen 534-548), Kunst, politiek en vrouwen (afleveringen 549-585) en Officiële cultuur en feminisme (afleveringen 586-591).

Natuurlijk valt het modernisme onder het kopje ‘officiële cultuur’. Het modernisme, beginnend als een onbeduidende cultuur, is onder de vleugels van de bourgeoisie uitgegroeid tot een allesoverheersende en daarmee ‘officiële’ cultuur (zie aflevering 589).

Volgens Pollock kan gesteld worden dat er een relatie is tussen het feminisme en modernisme. Er is namelijk sprake van een historische relatie – het modernisme vormde eind jaren 1960 het dominante paradigma (voorbeeld, voorschrift, model) van kunst, kunstkritiek en kunstgeschiedenis. Daarnaast is er sprake van een institutionele relatie – het modernisme maakt nog steeds de dienst uit als officiële cultuur qua galeries, musea en kunsteducatie. Het is dus, schrijft Pollock, een strategische relatie als gevolg van culturele politieke bemoeienis (interventiepolitiek).*

Doordat het modernisme zo allesoverheersend aanwezig is, moet elke kunstpraktijk er wel iets mee (zie ook Aflevering 44 Kunstbewuste makers van kunst). Maar hoe zit dat met feminisme?*

Voor een antwoord kijkt Pollock bij Lucy Lippard, die in 1980 verkondigde dat: ‘De grootste bijdrage van het feminisme aan de toekomstige vitaliteit van kunst waarschijnlijk juist het gebrek aan bijdragen aan het modernisme was.’ Lippard plaatste het feminisme tegenover het modernisme, aldus Pollock, en stelde daarmee het probleem in termen van tegenpolen, zoals modernistisch / antimodernistisch, man / vrouw.*

Volgens Lippard hebben feministische methoden en theorieën een maatschappelijk betrokken alternatief geboden voor de toenemend ongeïnspireerde evolutie van kunst over kunst. Door ‘de veelkleurige draden van vrouwelijke ervaring in het mannelijke weefsel van moderne kunst te introduceren’, dragen vrouwen bij aan de vele variaties (pluralisme) in de jaren 1970. Maar, zo nuanceert Pollock, het was toen ook de tijd van het modernisme-postmodernisme debat.*

Er waren met andere woorden al barsten gekomen in de modernisme-heerschappij.

*Uit: Griselda Pollock, II Feminism and Modernism. In: Framing Feminism, Art and the Women’s Movement 1970-85. Eds. Roszika Parker en Griselda Pollock, Pandora Press, Londen, 1987, pp.79-119.

About the author

Susan Hol

Leave a Comment