Feuilleton Abramovic - PhD

Aflevering 596 Hoe breek je eruit?!?

Bertolt Brecht, Trommelen in de nacht, 1919. Opvoering door Münchner Kammerspielen in 1922, met Erwin Faber (Mitte) als Andreas Kragler. (Deutsches Theatermuseum München)

Foto gevonden bij Literatur Portal Bayern.

Wie zal het modernisme weten te overwinnen, het feminisme of de hele verzameling postmodernistische activiteiten waarvan het feminisme er één is? Dat is de grote vraag volgens Griselda Pollock (zie aflevering 595).

Als je modernisme-als-een-instituut wilt onderscheiden van modernisme-als-praktijk, schrijft ze, dan gaat het om meer dan theoretische helderheid. Volgens haar is het modernisme nog steeds de dominante institutie die bepaalt wat van het zogenoemde postmodernisme wordt goedgekeurd en gebruikt.*

Als praktijk echter is het modernisme nooit zo eenkennig geweest als wordt beweerd in postmodernistische debatten. Er zijn veel radicale praktijken opgenomen in het modernismeproject, zoals de constructivisten, dada, surrealisten, Duitse realisten uit de jaren 1930, Russische cinema uit de jaren 1920, en de theorie, het theater en filmwerk van Bertolt Brecht (1898-1956).*

In de jaren 1970 was er een hernieuwde belangstelling voor Brecht en hoe hij het modernisme heeft aangepakt. Hij gebruikte modernistische tactieken bij een kritische en politiek vooruitstrevende bemoeienis in kunst en via kunst. Dit was een symptoom van een crisis binnen de modernistische gemeenschap.*

Sommige werken die eind 1950 werden gemaakt, met name in de modernistische hoofdstad New York, waren een voorzichtige verkenning van de opgelegde beperkingen door de institutionele kaders van de modernistische praktijk. Kunstenaars organiseerden bijvoorbeeld populaire straatevenementen om beperkingen voor toegankelijkheid en publiek te omzeilen, of ze testten de kracht van galeries om wat dan ook op te nemen en als kunst te definiëren. Deze tactieken toonden tegenstrijdige punten aan, aldus Pollock, maar ze stelden de makers niet in staat uit te breken, of het dilemma op te lossen met een praktijk buiten het instituut.*

Een andere trend was een complexe herbeoordeling van de voorwaarden en posities van artistieke productie. Kunstenaars waren hierbij betrokken en ook de feministische activiteiten kun je in dit gebied indelen volgens Pollock. Er is echter een bijzonder en doorslaggevend kenmerk aan het feminisme, schrijft ze, namelijk de mogelijkheid om de tegenstellingen te doorbreken (gebaseerd op noodzaak om überhaupt te kunnen functioneren). Kort door de bocht betekent dit: het feministisch verlangen naar politieke effectiviteit voor kunst kan niet uitsluitend worden gerealiseerd in de kunstwereld.*

Toch moeten kunstpraktijken een relatie met de kunstwereld onderhouden, anders worden de werken niet erkend als kunst en zijn ze ook niet effectief als specifieke vorm voor sociale verandering. Er moet, aldus Pollock, bemoeienis komen vanuit een sociale ruimte. Waarmee ze het bewust zijn van het sociale karakter van culturele activiteit bedoelt, en tegelijkertijd ook het bewust zijn van de grotere maatschappelijke vraagstukken waarvan culturele activiteit slechts een onderdeel is.*

*Uit: Griselda Pollock, II Feminism and Modernism. In: Framing Feminism, Art and the Women’s Movement 1970-85. Eds. Roszika Parker en Griselda Pollock, Pandora Press, Londen, 1987, pp.79-119.

About the author

Susan Hol

Leave a Comment