Feuilleton Abramovic - PhD

Aflevering 599 Er wordt heel wat afgebabbeld

Susan Hol, Aucun Salage, 2014-2018.

De kunstenaars die in de jaren 1950 het label ‘abstract expressionisten’ krijgen, kennen elkaar en spreken elkaar vaak, ze discussiëren veel en delen artistieke problemen, schrijft Renée van de Vall in haar boek Een subliem gevoel van plaats. Een filosofische interpretatie van het werk van Barnett Newman (1994, p.45-46; zie ook aflevering 598).

Tom Wolfe doopt in zijn boek Het geschilderde woord deze samenkomsten om tot ‘het dorp Cultuurburg’ (zie aflevering 372). Blijkbaar is het een vrij unieke gebeurtenis dat kunstenaars elkaar zo frequent opzoeken.

Van de Vall schrijft ook dat dit niet altijd zo is geweest, én dat het geen blijvende situatie is. Ze vertelt dat in de jaren 1920 en 1930, toen de eerste generatie abstract expressionisten haar opleiding kreeg, er nauwelijks sprake was van zulke samenkomsten. En ook al wordt het MoMA in 1929 in New York geopend, dan nog is het voor de jonge abstracte kunstenaars sappelen en geld bijeen schrapen via bijbaantjes. Er is nauwelijks een markt voor moderne Amerikaanse schilderkunst, weinig galeries tonen abstract werk van jonge kunstenaars en musea kijken er al helemaal niet naar om. (1994, p.46)

Maar in het Amerika van de jaren 1930 komt er een omvangrijk sociaal en economisch hervormingsprogramma, de zogenoemde New Deal. Van de Vall verwijst hiernaar, maar ik heb het ook al besproken in aflevering 233. Het is een programma om het land uit het slop trekken tijdens de grote economische depressie (ontstaan door de beurskrach van 1929). In haar artikel over vrouwelijke realisten schrijft Linda Nochlin dat hierdoor kunstprojecten ontstaan die kansen bieden aan kunstenaars (v/m) om werk te maken dat commentaar levert op de sociale situatie van dat moment (Some Women Realists, 1974, in: Women, Art, and Power and Other Essays, 1988, p.89).

Van de Vall schrijft dat deze New Deal-politiek (Federal Art Project) van groot belang is voor de verdere ontwikkeling van de jonge abstracte kunstenaars (en vele anderen voegt ze daaraan in een voetnoot toe). Zij krijgen namelijk voor het eerst de gelegenheid om al hun tijd aan hun werk te besteden. Het vormt eveneens het begin van de ‘artistieke gemeenschap’ die in de jaren 1940 tot bloei komt. Kunstenaars heffen hun geïsoleerde bestaan op en hebben regelmatig contact met elkaar. Dit kom mede door de New Deal, omdat dit hen bindt aan bepaalde afspraken (inleveren werk, samenwerken aan opdrachten, samen middelen verzinnen om te voldoen (of ontsnappen) aan regels). (1994, p.46-47)

Er wordt onnoemelijk veel gediscussieerd over artistieke stromingen (sociaalrealisme, fauvisme, expressionisme, kubisme, surrealisme) en intellectuele onderwerpen (het onderbewuste, mythen en beelden uit niet-westerse ‘primitieve’ kunst). Diverse groepen vormen zich, waarbij Van de Vall (logischerwijs) dezelfde groepen noemt als Tom Wolfe heeft gedaan in zijn boek Het geschilderde woord.

Al de kringen en groepjes heb ik genoemd in aflevering 371. Na de oorlog voegen zij zich samen tot de ‘cénacle des cénacles, de New York School, ofwel de Tenth Street School, de scheppers van het Abstract Expressionisme’, schrijft Tom Wolfe (1982, p.39; zie aflevering 372).

About the author

Susan Hol

Leave a Comment