Feuilleton Abramovic - PhD

Aflevering 601 En wég maar weer met dat gevoel

Willem de Kooning, Rider (Untitled VII), 1985.

Foto gevonden bij pictify.saatchigallery.com.

Voor de schilders van het gebaar zit de inhoud van hun werk in de ‘levende kwaliteit van de spontane creatie’ (zie aflevering 600). 

Dat is een fraaie omschrijving, maar wat betekent dat eigenlijk? Als ik die omschrijving lees, dan denk ik aan de schilder zelf, de man (Jackson Pollock, Willem de Kooning, Franz Kline, Robert Motherwell, Hans Hofmann) die met zijn in de verf gedoopte kwast (of wat dan ook, Pollock schijnt stokken te hebben gebruik) door de lucht zwaait en deze op spontane wijze op het doek laat landen terwijl hij dat zwaaiende gebaar niet stopt, heen en weer zwiept met die kwast over het doek en vervolgens misschien op en neer, of ermee op het doek slaat.

Maar als het om de schilder gaat die zijn emoties uitleeft met verf op het doek, dan is er toch geen sprake van enige inhoud óp het doek? Zijn gebaren zeggen toch niets over het schilderij zelf? Het idee is, zo vindt ik bij een uitleg van museum Tate in Londen, dat de kunstenaar zijn innerlijke impulsen fysiek uitbeeldt en dat de toeschouwer iets van zijn emotie of gemoedstoestand kan lezen in de resulterende verfvlekken. Treffend is daarbij het citaat dat Tate heeft opgenomen van De Kooning: ‘Ik schilder op deze manier omdat ik er steeds meer dingen in kan stoppen – drama, woede, pijn, liefde – door je ogen wordt het weer een emotie of een idee.’

Helaas voor de schilders zelf verkochten die doeken, ondanks dat ze enorm werden gehypet in de media, voor geen meter (zie vooral ook aflevering 375). En dat, zo weet Mary Kelly te vertellen in haar artikel Re-viewing Modernist Criticism (zie ook de afleveringen 597-598), kan het modernisme zich niet permitteren, letterlijk niet, volgens haar, in financiële zin. Wat gebeurt er dan? Het ‘gebaar’ dat hoort bij de schilders van het gebaar gaat in de ban, sterker nog, zoiets als expressie moet helemaal verdwijnen, evenals idee van ‘essentiële creativiteit’. (Mary Kelly, in: Griselda Pollock*)

Wat nu? Wat ziet Kelly vervolgens gebeuren en wat hebben feministen daaraan?

Kelly beweert dat tussen 1965 en halverwege de jaren 1970 ‘avant-garde praktijken’ met werk komen dat zorgt voor verdeeldheid in het modernisme waaraan ze zijn ontsproten, en ze ziet daarin mogelijkheden voor een feministische praktijk. Ze onderscheidt drie gebieden: materialiteit, socialiteit en seksualiteit. (Mary Kelly, in: Griselda Pollock*)

Nu is materialiteit de wet van het modernisme, vult Pollock aan, ofwel de essentie van schilderen is tweedimensionaliteit (platheid) en kleur (géén illusie) zien (zie ook aflevering 374 Van Platheid naar allerplatst (letterlijk)). Het is een vorm van materialisme waarbij het materiële kenmerk van materialen of objecten de menselijke activiteit voorschrijft, hun betekenis wordt geërfd.

Er is echter nog een andere betekenis van materialisme.*

*Uit: Griselda Pollock, II Feminism and Modernism. In: Framing Feminism, Art and the Women’s Movement 1970-85. Eds. Roszika Parker en Griselda Pollock, Pandora Press, Londen, 1987, pp.79-119.

About the author

Susan Hol

Leave a Comment