Feuilleton Abramovic - PhD

Aflevering 612 Net zo lelijk en gruwelijk als de Vietnamoorlog

Judith Bernstein, A Soldier’s Christmas, 1967, oil, fabric, steel wool, electric lights and mixed media on canvas. Photo: Fredrik Nilsen.

Afbeelding gevonden bij The Box Gallery.

De anonieme krabbels op de muren van de mannenwc’s die Judith Bernstein op haar strooptochten verovert, omvatten uitingen van angst en woede over de Vietnamoorlog (zie ook aflevering 611). Sommige daarvan belanden in haar tekeningen: I’d rather save my ass than Johnson’s faceGoing to Vietnam … hope I come back. Voor de mannen van Bernsteins generatie zat er in die tijd niet veel anders op dan serieus rekening te houden met een militaire oproep en dienst doen in de Vietnamoorlog. (bron)

In haar serie Fucked by Number (zie bijvoorbeeld de afbeelding in aflevering 611), met de draw-by-number (loting op nummer) beelden, legt Bernstein de relatie tussen de alomtegenwoordige wc-graffiti metaforen ‘screwing’ en ‘getting screwed’ en de Vietnamoorlog die zo vaak in statistische termen wordt beschreven: die tekening uit 1967 toont in bloedrode vette letters dat 20.000 Amerikanen zijn omgekomen in die oorlog. (bron)

Hier betekenen ‘screwing’ en ‘getting screwed’ dus niet ‘schroeven’ en ‘geschroefd worden’, of ‘neuken’ en ‘geneukt worden’, maar ‘naaien/belazeren’ en ‘genaaid/belazerd worden’. Het werk van Bernstein toont duidelijk haar woede over de oorlog en het haantjesgedrag van de leiders van het land, om hun stoerheid en mannelijkheid te bewijzen. Gevaarlijk gedrag in haar ogen en dus fataal voor al die omgekomen soldaten. Ze laat dat bijvoorbeeld zien in haar werk Vietnam Garden (zie bron), waarin ze met vlaggen versierde, rechtopstaande fallussen afbeeldt als militaire grafstenen. (bron)

Judith Bernstein gebruikt dus in haar werk seksuele beelden die taboe zijn om haar woede te uiten over een in haar ogen smerige oorlog. (bron)

Haar ordening van godslastering en humor in haar kunstwerken, daagt ook conventionele veronderstellingen over vrouwelijke esthetiek uit. Voor Bernstein is het een bewuste poging om de lelijkste schilderijen te maken die ze maar kan. ‘Ik wilde dat ze net zo lelijk en gruwelijk waren als de oorlog.’ Ze herinnert zich eind sixties als een tijd van extreme slogans en retoriek: ‘je moest het uitschreeuwen om ervoor te zorgen dat mensen het zouden horen’. Maar Bersteins gevoel van woede wordt geëvenaard door haar gevoel voor humor. De excessen van haar werk – knipperende kerstlichtjes, de zich uitbreidende fallussen – worden gevoed door woede, maar lokken vaak gelach uit. Bernstein merkte op dat het lachen is als klaarkomen … een bevrijding, zelfs als het onderwerp dodelijk serieus is. (bron)

In 1967 studeert Bernstein af en verhuist naar New York City. Zoals de docent bij haar aanmelding voorspelde: ze vindt geen fulltime baan als docent, geen tentoonstellingsruimte of galerie voor haar werk. Dus wordt ze in 1972 een van de oprichters van A.I.R., de eerste galerie voor en door vrouwelijke kunstenaars. (bron)

*Uit: Lisa Tickner, The body politic: female sexuality and women artists since 1970. In: Framing Feminism, Art and the Women’s Movement 1970-85. Eds. Roszika Parker en Griselda Pollock, Pandora Press, Londen, 1987, pp.263-276.

About the author

Susan Hol

Leave a Comment