Feuilleton Abramovic - PhD

Aflevering 627 Alles doordringend ideaalbeeld van vrouw als echtgenote en moeder

Coba Ritsema (1876-1961), Meisje in het wit, ca. 1935.

Afbeelding gevonden bij Centraal Museum Utrecht. Je vindt daar een link naar kunsthistorische documentatie over Coba Ritsema.

De verschillen die kunstcritici signaleren tussen het werk van vrouwen en mannen wordt – niet altijd expliciet – toegeschreven aan verschillen in aangeboren eigenschappen, aldus Cora Hollema in Talent is niet genoeg(SUN, 1982, p.12, zie ook aflevering 626).

Dit is in aflevering 170 ook al voorbijgekomen: ‘De beeldend werkende vrouw is het meest succesvol bij het werken in het platte vlak. Dat komt door haar gebrek aan ruimtelijk denken, dat de mannen aangeboren is … Daar komt nog bij dat de vrouw een bepaalde kinderlijke kijk op de dingen heeft, die ze net als een kind elk apart bekijkt in plaats van de grote lijnen te zien … En men moet ook niet de vergissing begaan te denken dat haar aard wel zal veranderen, ook al heeft de vrouwenbeweging nog zoveel bereikt en al wordt er nog zoveel gestudeerd. Ja er zijn zelfs tekens, die erop wijzen, dat de vrouw haar beperkingen waardeert in het bewustzijn daarin een voorsprong te bezitten (feministische kunst internationaal, 1978, p.27).’

De idee ‘het is nu eenmaal zo’ klinkt hier eveneens heel sterk: ‘men moet ook niet de vergissing begaan te denken dat haar aard wel zal veranderen’. Daar denkt Hollema, en met haar vele anderen trouwens, anders over.

Volgens Hollema zijn de maatschappelijke omstandigheden waaronder kunstenaars (v/m) hun werk maakten in Nederland in de tweede helft van de negentiende eeuw verantwoordelijk voor de verschillen in werk tussen vrouwen en mannen. De maatschappelijke verhoudingen zorgen voor een verschil in verwachtingen, waarden en normen als het gaat om gedrag van vrouwen en mannen. Dit verschil grijpt diep in, ook in de kunstproductie. (1982, p.12-13)

Als rond 1860 de kunstacademies hun deuren voor vrouwen openen, is formeel gezien het verschil in positie tussen vrouwen en mannen in de kunst voor een groot deel opgeheven, aldus Hollema. Maar ja, daarmee is het ‘alles doordringende ideaalbeeld van de vrouw als echtgenote en moeder’ niet opgeheven. Er is dan ook nog lang geen sprake van ‘een wezenlijke opheffing van verschillen in positie tussen kunstenaars en kunstenaressen’. (1982, p.13)

Het ideaalbeeld van de vrouw als echtgenote en moeder werkt natuurlijk fiks door op de positie van vrouwen in kunstacademies, de beroepspraktijk en het openbare leven. Hollema gaat ervan uit dat hoe meer vrouwen zich sterk maken om gelijk aan mannen te kunnen functioneren, hoe sterker de ongelijkheden zich versluieren, maar niet verdwijnen. (1982, p.13)

Wat bedoelt zij daarmee?

About the author

Susan Hol

Leave a Comment