Feuilleton Abramovic - PhD

Aflevering 630 De preutsheid blijft bestaan

Een KOE als NAAKTMODEL, om het netjes te houden voor de ‘dames’. Foto: Susan Hol, 2019, van eigen exemplaar catalogus feministische kunst internationaal, p.21. Anatomieles voor studentes op de Pennsylvanie Academy of Fine Atrs, ca. 1883. Foto van Thomas Eakins.

De spagaat van getrouwde kunstenaars die meer willen dan huisvrouw en moeder zijn (zie aflevering 629), is onbekend terrein voor de kunstenaars die kiezen voor een single bestaan.

Tenminste, onbekend, ze zijn natuurlijk op de hoogte van de ‘maatschappelijke situatie waarin het voor vrouwen bijna onmogelijk was een evenwicht te vinden tussen liefde en werk’, schrijft Cora Hollema in Talent is niet genoeg (SUN, 1982, p.15).

De singels weten maar al te goed dat trouwen betekent dat je werk in de knel komt, of dat het er helemaal niet van komt. Maar ja, niet trouwen is ook niet simpel, want de morele druk om echtgenoot en moeder te worden is enorm. Bovendien betekent dat ook vaak: afzien van liefde en seksualiteit. (1982, p.15)

Zo bouwt de single Joffer Lizzy Ansingh (1875-1959) gestaag aan een imponerend oeuvre en ziet al op de academie af van flirten met jongens, want: ‘Er moest echt gewerkt worden’ en ‘Je wilde trouwens ook niet anders, je hoofd zat vol werk’. Na de academie komen er wel verliefdheden voorbij, maar die komen niet op de eerste plaats: ‘als je liefde hebt voor de kunst, is alleen wat je maakt belangrijk’. (1982, p.15)

Voor mannen maakt het niet uit, getrouwd of ongetrouwd zijn, hun maatschappelijke status blijft hoe dan ook overeind. De getrouwde kunstenaar kan gewoon blijven werken, de ongetrouwde kunstenaar kan onbelemmerd zijn gang gaan op het gebied van liefde en seksualiteit. De taboes voor vrouwen gelden niet voor mannen. (1982, p.15-16)

Tussen 1860 en 1919 gaan kunstacademies vrouwen toelaten. Rotterdam (1861), Amsterdam (1863) en Den Haag (1872) zitten redelijk in de voorhoede, net als Zweden (1864) en Engeland (na fel protest van vrouwen, 1868). Duitsland (1919) is uiterst traag. De beeldende vorming van vrouwen is tot dan toe een particuliere kwestie, meestal voor dochters, zussen en nichtjes van kunstenaars. Contact met mannen buiten de familiekring is in die tijd ongepast. (1982, p.16)

Met het openen van de academies blijft die preutsheid bestaan: er zijn speciale ‘damesklassen’ om ervoor te zorgen dat vrouwen geen naaktmodellen te zien krijgen. Vrouwen blijven hierdoor op achterstand. Een gipsmodel, een koe (voor de anatomie), in toneelkleren uitgedoste beroepsmodellen … het helpt niet echt als je menselijke vormen wilt leren schilderen. Bovendien krijgen de vrouwen geen les van de echte profs. Dit alles heeft gevolgen heeft voor de kwaliteit van hun werk en de vrouwen protesteren dan ook zeer regelmatig tegen de gang van zaken. (1982, p.16-18)

Met een academiediploma op zak wil je natuurlijk een beroepspraktijk beginnen, maar hoe bouw je die praktijk op als er voor vrouwen een taboe heerst op werken voor geld? (1982, p.19)

About the author

Susan Hol

Leave a Comment