Feuilleton Abramovic - PhD

Aflevering 631 Eigen kunstenaarsvereniging bittere noodzaak

Gerardina Jacoba van de Sande Bakhuyzen, Blauwe druiven en perziken, olieverf op doek, jaartal onbekend.

Foto gevonden bij wikimedia.

Dat je geen geld voor je kunstwerken kunt vragen, vormt natuurlijk een enorme rem op het opbouwen van een beroepspraktijk (zie ook aflevering 630). Sterker nog, het maakt die praktijk vrijwel onmogelijk.

Cora Hollema geeft in haar artikel Talent is niet genoeg (SUN, 1982) een stukje levensgeschiedenis weer van de Haagse kunstenaar Gerardina Jacoba van de Sande Bakhuyzen (1826-1895). Dit verhaal is tekenend voor de situatie in de negentiende eeuw. Het citaat komt uit Het Schildersboek. Nederlandse schilders der negentiende eeuw in monografieën door tijdgenoten (1899, p.239)

‘Tegenover bekenden en vrienden kwam zij voor hare kunstpassie (…) niet openlijk uit, want men vond het niet gepast als een jong meisje zich met iets anders dan huishoudelijke dingen bezighield. Borduren, stoppen, naaien, breien, lezen – dit alles was geoorloofd, maar schilderen en tekenen als loopbaan voor eene vrouw – ’t was horrible, most horrible. (…)

In een album, zoals men toen had, een takje ver-geet-mij-nietjes te teekenen, of ter gelegenheid van een verjaardag een tekening in waterverf aan te bieden, was geoorloofd en werd zelfs toegejuicht, maar buiten den familiekring, onder oogen en ter beoordeling van het publiek, proeven harer kunstbeoefening te brengen, werd voor eene jonge dame al heel onwelvoeglijk geacht. (…)

Vooral het denkbeeld het werk te koop te stellen, er geld voor te ontvangen zou de grootste verontwaardiging onder het breiende, stoppende, bordurende, rekkende en mazende geslacht van dien tijd wekken. De vrouwelijke ingetogenheid zoover te loochenen, dat men zich met de man ook op kunstgebied mete, en evenals deze den prijs van het ingezondene bepale – niemand dacht eraan dat ooit zulk tijdperk zou aanbreken.’ (1982, p.19)

Maar rond 1900, zo’n veertig jaar nadat de eerste academie vrouwen toeliet, zijn vrouwen hun achterstand in het opbouwen van een beroepspraktijk meer dan zat. Hun pogingen om zich aan te sluiten bij de door mannen gedomineerde kunstenaarsverenigingen lukt ook bijna nooit, wat betekent dat de vrouwen niet hun werk kunnen tentoonstellen op de door deze verenigingen georganiseerde exposities, waardoor er niet over hun werk geschreven wordt, zij onbekend blijven en geen professionele contacten opbouwen. (1982, p.19-20)

De vrouwen willen een volwassen beroepspraktijk, zij willen óók de kans krijgen om continuïteit, ontwikkeling en traditie voor te brengen, dus organiseren ze zich in een eigen kunstenaarsvereniging en staan elkaar bij op artistiek en financieel gebied. Zolang ze geweerd worden door de mannelijke collega’s is dat bittere noodzaak. Vrouwen in Frankrijk, in Engeland, in Duitsland en in Zweden verenigen zich en in 1911 is er de eerste tentoonstelling van kunst door vrouwen in Stockholm. (1982, p.20)

Maar niet elke vrouw is gecharmeerd van een kunstenaarsvereniging voor uitsluitend vrouwen.

About the author

Susan Hol

Leave a Comment