Feuilleton Abramovic - PhD

Aflevering 632 Single, gediplomeerd en zelfstandig gevestigd, maar …

Wally Moes, Slapende baby, olieverf op doek, jaartal onbekend, 26,5 x 37 cm. © Simonis en Buunk.

Foto gevonden bij Oneindig Noord-Holland.

Kunstenaars die geweerd worden door de mannelijke collega’s besluiten zich te organiseren in vrouwenkunstenaarsverenigingen, maar niet elke kunstenaar vindt dat wat (zie aflevering 631).

Een daarvan is Wally Moes (1856-1918). Als zij in 1876 aan de Rijksacademie in Amsterdam lessen volgt, aldus Cora Hollema in Talent is niet genoeg (SUN, 1982), vindt ze het zeer jammer dat het schilderen van naakten taboe is voor de vrouwen. Maar dat neemt niet weg dat ze ervan geniet zich te ontwikkelen en zo goed mogelijk te doen wat ze kan. Ze gaat ervan uit dat haar keuze prima is en beseft niet ‘welk een moeilijk pad ik had ingeslagen en welk een zware strijd het zou worden om van mijn bescheiden talent iets te maken dat niet alleen recht van bestaan had, maar waarmee ik in mijn levensonderhoud zou kunnen voorzien’ (uit: W. Moes, Heilig ongeduld. Herinneringen uit mijn leven. Amsterdam / Antwerpen, 1961, p.74, in: 1982, p.18-19).

Rond 1880 voelt Moes er niets voor zich aan te sluiten bij een vereniging met uitsluitend vrouwen, zij heeft daar op dat moment een ‘instinctmatige afkeer’ van. Het rare is dat het aantal vrouwelijke dilettanten in de kunst groeit, hobbyisten die het ene stilleven na het andere schilderen ‘alsof iedere Nederlandse burger voornemens ware de wanden van zijn eet-huiskamer met de traditionele citroenen, oesters, groene glazen en verder bijwerk geheel te bedekken’ (kunsthistoricus Johan Gram, in: Hollema, 1982, p.20).

Mogelijk heeft ook dit een remmende werking op de kwaliteit van de kunstwerken, de identificatiemogelijkheden van potentiële schilders (v) en het ontstaan van een professionele schilderstraditie voor vrouwen, aldus Hollema (1982, p.20).

Maar goed, stel je bent single, hebt een diploma van de kunstacademie en bent gevestigd als zelfstandig kunstenaar, dan lijk je toch minstens dezelfde uitgangspositie te hebben als mannen. Niets staat je dan in de weg om tot dezelfde artistieke prestaties als mannen te komen. Toch? (1982, p.20-21)

Hollema ziet dat er ‘minder grijpbare, maar wel degelijk bestaande belemmeringen voor vrouwen’ zijn. Zij vat deze belemmeringen samen onder de noemer ‘beperkingen van bewegingsvrijheid’ en verwijst naar de kunsthistoricus Linda Nochlin, die in haar artikel Why Have There Been No Great Women Artists? (1971) een eerste aanzet heeft gegeven om te onderzoeken hoezeer het ontwikkelen van talent samenhangt met bewegingsvrijheid. (1982, p.21)

De bewegingsvrijheid van de Grote Kunstenaar (m) in de Renaissance en daarna bestaat uit ‘bemoeien met de lopende zaken op de kunstacademie, op intieme voet staan en ideeën uitwisselen met leden van verlichte humanistische kringen, geëigende relaties aanknopen met opdrachtgevers, vrij rondreizen en betrokken raken in politieke kwesties’, aldus Nochlin, en die bewegingsvrijheid zorgt volgens haar voor het ontstaan van kunst met een grote K (1971, p.27, in: 1982, p.21)

Vrouwen ontberen een dergelijke bewegingsvrijheid. 

About the author

Susan Hol

Leave a Comment