Feuilleton Abramovic - PhD

Aflevering 634 Geheel aan de buitenkant van het artiestenleven

Wally Moes, Naaischool in Huizen, 1891, olieverf op doek.

Foto gevonden bij wikimedia.

In Talent is niet genoeg (SUN, 1982) haalt Cora Hollema de kunstenaar Wally Moes (1856-1918) aan over het verschil in bewegingsvrijheid tussen vrouwen en mannen (zie ook aflevering 633).

Moes vertelt over de schilder Jan Veth (1864-1925) die in Amsterdam deel uitmaakt van ‘het overmoedige troepje der tachtigers, en van hen hoorden wij al bijzonder graag vertellen; hun drinkgelagen, de wijze waarop ieder hunner zich daarbij gedroeg, de dwaasheden die zij uithaalden. (…) Wij waren er zelf wel niet bij, maar sloegen toch een blik in het jolige geestige gedoe van dat echte artiestenvolkje.’ (Uit: W. Moes, Heilig ongeduld. Herinneringen uit mijn leven. Amsterdam / Antwerpen, 1961, p.192, in: 1982, p.24.)

Hoeveel plezier Moes ook heeft in de verhalen van de mannen, voor vrouwen is jolig geestig gedoe niet weggelegd: ‘In mijn jeugd, ik geloof dat dat nu anders is, leefden schilderessen geheel aan de buitenkant van het artiestenleven. Op de akademie kwamen wij weinig of niet in aanraking met jongens, zodat wij hen eigenlijk alleen van aanzien kenden. Daarna hadden wij alleen het moeitevolle werk, met al zijn hopen en vrezen, zonder de ontspanning en de opfrissing, die de jonge schilders vinden in hun samenkomsten, dwaasheden en wrijvingen.’ (Uit: W. Moes, 1961, p.191, in: 1982, p.24.)

Maar Moes heeft het zichzelf ook niet gemakkelijk gemaakt met haar ‘instinctmatige afkeer’ van een vereniging met uitsluitend vrouwen (zie aflevering 632). ‘De aktieradius van deze schilderes werd beperkt doordat zij in het onvruchtbare dilemma verkeerde dat zij enerzijds geen toegang had tot mannelijke kunstenaarsverenigingen, anderzijds er niet voor voelde om zich aan te sluiten bij haar vrouwelijke kollega’s, zodat bijvoorbeeld een werkverblijf van haar in München niet erg winstgevend was’, aldus Hollema (1982, p.24).

Moes zegt daar zelf over: ‘Ik kon nooit inzien waartoe die scheiding der geslachten dient; of een kunstwerk goed of slecht is vond ik van belang, minder of het door een man of een vrouw gemaakt werd, en de aparte tentoonstellingen van vrouwenwerk brengen ons nog steeds beschaming, want dan komt zo recht voor de dag, hoe weinigen het nog gelukt is iets te bereiken. De vrouwen hebben dan ook heel wat eeuwen in te halen, waarin zij niet behoorlijk in de gelegenheid werden gesteld hun gaven te ontwikkelen, maar waarom dan verlangen vrouwen ernaar nu al zoveel drukte te maken, en zich absoluut te willen afscheiden?’ (Uit: W. Moes, 1961, p.141, in: 1982, p.24-25.)

Moes is zich volgens Hollema dus wel bewust van de achterstelling van vrouwen in het algemeen, maar wil of kan dit niet op haar eigen situatie betrekken. (1982, p.25.)

About the author

Susan Hol

Leave a Comment