Feuilleton Abramovic - PhD

Aflevering 639 Het buitenbeentje ‘zij’

Maria Lassnig, Amerikaans stilleven met telefoon, 1971-1972.

Schilderij gevonden bij A Grey Lady, in een verhaal over de tentoonstelling Ways of being, met werk van de Oostenrijkse kunstenaar Maria Lassnig (1919-2014), vorig jaar in het Stedelijk Museum.

Linda Nochlin schrijft haar artikel Why Have There Been No Great Women Artists? tijdens de, wat zij noemt: ‘onstuimige dagen na de geboorte van de vrouwenbevrijdingsbeweging’, in 1970 (zie ook aflevering 638). Ze neemt de politieke energie en het optimisme van die periode mee in haar artikel. Het jaar ervoor heeft ze al wel wat onderzoek gedaan naar vrouwen en kunst, voor een congres over dat onderwerp. Het artikel verschijnt uiteindelijk rijk geïllustreerd in een baanbrekend en controversieel nummer van Art News (vol.69, januari 1971), gewijd aan vrouwenkwesties. (*, p. xiii, Introduction)

‘De recente opkomst van feministische activiteiten in dit land is inderdaad bevrijdend’, opent Nochlin haar artikel (*, p.145). Waarbij ‘recent’ dan 1971 is en ‘dit land’ Amerika moet zijn, gezien het feit dat ze in New York woont en werkt.

De kracht van die bevrijding is op dat moment vooral emotioneel, aldus Nochlin. Het is persoonlijk, psychologisch, subjectief, en gericht op het heden en onmiddellijke behoeften. Wat dat betreft is het volgens haar niet anders dan bij alle radicale bewegingen waarmee het feminisme verbonden is. Historische analyses van fundamentele intellectuele kwesties, opgeroepen door de feministische aanval op de status-quo? Nee zeg, daar is op dat moment geen plaats voor. (*, p.145)

Maar ook de feministische revolutie moet volgens Nochlin uiteindelijk grip krijgen op de intellectuele en ideologische basis van de verschillende intellectuele of wetenschappelijke disciplines, zoals geschiedenis, filosofie, sociologie en psychologie. Zij moet niet alleen de ideologieën van de huidige sociale instituties in twijfel trekken. (*, p.145)

Nochlin haalt John Stuart Mill (1806-1873, filosoof en econoom, zie ook aflevering 98) aan, die volgens haar heeft beweerd dat mensen de neiging hebben om alles wat is als vanzelfsprekend/natuurlijk te accepteren. Mocht dit waar zijn, schrijft ze, dan geldt dat voor het sociale én academische domein. De vanzelfsprekende aannames in de academische wereld zijn helemaal niet in beton gegoten. Zichtbaar moet worden dat de zogenaamde ‘feiten’ uit academisch onderzoek een mythische basis hebben. (*, p.145)

De positie van de vrouw is bij uitstek geschikt om die vanzelfsprekende aannames onder de loep te nemen. Zij is een erkende buitenstaander, zij is het buitenbeentje ‘zij’. Zij is niet het zogenaamd neutraal gedachte ‘men’: de in werkelijkheid blank-mannelijke-positie-geaccepteerd-als-natuurlijk, of de verborgen ‘hij’ als onderwerp van alle wetenschappelijke beweringen. De positie van de vrouw is dus in dit geval beslist een voordeel en niet alleen maar een belemmering of goed voor subjectieve vervorming. (*, p.145-146)

Bij kunstgeschiedenis is het blanke westerse mannelijke gezichtspunt onbewust geaccepteerd als het gezichtspunt van de kunsthistoricus. Hoe ontoereikend is dat? (*, p.146)

*Nochlin, Linda, Women, Art, and Power and Other Essays, 1988, Harper & Row.

About the author

Susan Hol

Leave a Comment