Feuilleton Abramovic - PhD

Aflevering 640 Lachwekkend? Een katalysator!

Foto gevonden bij atria, Kennisinstituut voor Emancipatie en Vrouwengeschiedenis, bij het blog Ruimte voor feministische kunst.

Het blanke westerse mannelijke gezichtspunt in de kunstgeschiedenis is ontoereikend (zie aflevering 639). Niet alleen op morele en ethische gronden, of omdat het elitair is, maar op puur intellectuele gronden, aldus Linda Nochlin.*

De feministische kritiek onthult het falen van veel academische kunstgeschiedenis, en een groot deel van de geschiedenis in het algemeen. Feministen houden rekening met het niet-erkende waardesysteem, zij besteden aandacht aan de aanwezigheid van een zich opdringend onderwerp in historisch onderzoek. Door haar werkwijze legt de feministische kritiek de zelfvoldaanheid en meta-historische (het grote, overkoepelende, alles omvattende verhaal) naïviteit bloot.*

Alle wetenschappelijke disciplines worden zich bewuster van zichzelf, van hun vooronderstellingen in de taal en structuur van wetenschapsgebieden. Als je dat ‘wat is’ als ‘natuurlijk’ beschouwd, kan je dat intellectueel fataal worden. Nochlin haalt wederom John Stuart Mill (1806-1873, filosoof en econoom, zie ook aflevering 639) aan. Hij ziet in zijn tijd de mannelijke overheersing als onderdeel van een lange reeks van sociale onrechtvaardigheden. Voor een werkelijk rechtvaardige sociale orde moeten die onrechtvaardigheden volgens hem overwonnen worden.*

Nochlin vergelijkt deze uitspraak van Mill met de onuitgesproken overheersing van blanke mannelijke subjectiviteit: je moet deze zien als onderdeel van een serie van intellectuele vervormingen die moeten worden gecorrigeerd om een beter en accurater beeld te krijgen van historische situaties. Het betrokken feministisch intellect (zoals dat van Mill) kan volgens Nochlin de cultureel-ideologische beperkingen doorbreken en vooroordelen en tekortkomingen onthullen. Het gaat dan niet alleen om vrouwenkwesties, maar ook om het formuleren van kritische vragen over de gehele wetenschappelijke discipline.*

De kwestie die vrouwen aangaat is dus verre van een onbelangrijk en lachwekkend provinciaal deelprobleem. Het kan een katalysator worden, een intellectueel instrument dat fundamentele en ‘natuurlijke’ aannames onderzoekt. Het kan een voorbeeld zijn voor andere vormen van interne kritiek, en verbanden leggen met voorbeelden van radicale benaderingen op andere gebieden.*

Zelfs een eenvoudige vraag als ‘Waarom zijn er geen grote vrouwelijke kunstenaars geweest?’ kan, mits voldoende beantwoord, een soort kettingreactie veroorzaken…

*Nochlin, L. (1971). ‘Why Have There Been No Great Women Artists?’ In Women, Art, and Power and Other Essays, pp. 145-178. New York: Harper & Row.

About the author

Susan Hol

Leave a Comment