Feuilleton Abramovic - PhD

Aflevering 648 Onvoorwaardelijke genegenheid en materiële welstand

Christine Løvmand (1803-1872), Bloembed, 1841, olieverf op doek, 46 x 58 cm, Statens Museum for Kunst, Kopenhagen.

Foto gevonden bij ArtSalonHolland.

De ‘natuurlijke orde der dingen’ is in feite een wereld die wordt beheerst door de dominante mannelijke machtselite (zie aflevering 647). Deze elite brengt alles wat ze niet zint onder in zogenaamde ‘Problemen’ (armoedeprobleem, zwarte-mensen-probleem, vrouwenprobleem enzovoort, zie aflevering 646).

Veel mensen hebben daar last van, maar voor vrouwen is er een extra rotfactor. John Stuart Mill merkte scherp op, zo schrijft Linda Nochlin, dat mannen – naast onderwerping – iets eisen van vrouwen dat niet opgaat voor andere onderdrukte groepen of kasten: onvoorwaardelijke genegenheid.*

Het is de achilleshiel van vrouwen, omdat vele vrouwen deze eis van onvoorwaardelijke genegenheid in de door mannen gedomineerde samenleving hebben geïnternaliseerd, aldus Nochlin. Bovendien komt een vrouw uit de middenklasse niet zo gemakkelijk in opstand, omdat ze omringd is door een overvloed aan materiële goederen en gemakken: ze heeft veel meer te verliezen dan alleen haar ketenen.*

Dus als je de vraag ‘Waarom zijn er geen grote vrouwelijke kunstenaars geweest?’ stelt, bestrijk je maar een miniem gebied in het enorme geheel aan misstanden. Die vraag omvat volgens Nochlin maar tien procent van de top van een ijsberg vol verkeerde interpretaties en misvattingen, met daaronder ook nog een enorme donkere massa van wankele idées reçues (stereotypen) over:

  • de aard van kunst en de bijbehorende situationele factoren;
  • de aard van menselijke mogelijkheden in het algemeen en menselijke uitmuntendheid in het bijzonder;
  • de rol die de sociale orde in dit alles speelt.*

Het zogenaamde ‘vrouwenprobleem’ mag dan een schijnprobleem zijn, aldus Nochlin, de misvattingen die horen bij de vraag ‘Waarom zijn er geen grote vrouwelijke kunstenaars geweest?’ gaan verder dan specifieke politieke en ideologische kwesties de onderwerping van vrouwen met zich meebrengen: er is sprake van grootschalig intellectueel verdoezelen.*

Fundamenteel bij de vraag ‘Waarom zijn er geen grote vrouwelijke kunstenaars geweest?’ zijn vele naïeve, verwrongen, onkritische veronderstellingen over het maken van kunst in het algemeen, en over het maken van grote kunst in het bijzonder. Deze bewuste of onbewuste aannames koppelen op een vreemde manier supersterren als Michelangelo en Van Gogh, Raphael en Jackson Pollock aan elkaar onder de rubriek ‘Groot’.*

De eretitel ‘Groot’ blijkt uit het aantal wetenschappelijke studies die aan de kunstenaar in kwestie zijn gewijd. De Grote Kunstenaar is, natuurlijk, iemand met Genialiteit. Genialiteit vervolgens wordt gezien als een atemporele (tijdloze) mysterieuze kracht die op de een of andere manier is ingebed in de persoon van de Grote Kunstenaar.*

*Nochlin, L. (1971). ‘Why Have There Been No Great Women Artists?’ In Women, Art, and Power and Other Essays, pp. 145-178. New York: Harper & Row.

About the author

Susan Hol

Leave a Comment