Feuilleton Abramovic - PhD

Aflevering 651 En wie moedigde de kleine Pablita aan?

Pablita Velarde (1918-2006), War party. From the collection of Bandelier National Monument, National Park Service. Zie link hieronder.

Afbeelding gevonden bij Google Arts & Culture, waar ook het hele verhaal van de kunstenaar staat met veel van haar werk. De moeite waard om te lezen en bekijken!

Dat mythen over genialiteit van jonge Wonderjongens misleidend zijn (zie aflevering 650), toont Linda Nochlin aan met de bespreking van het sprookje over Picasso.

Het verhaal gaat dat jonge Picasso in slechts één dag op vijftienjarige leeftijd alle examens voor toegang tot de kunstacademie van Barcelona, en later Madrid, met goed gevolg aflegde. Dit is een prestatie van formaat als je weet dat de meeste kandidaten een maand voorbereiding nodig hadden.*

Nu is dit verhaal ongetwijfeld waar, schrijft Nochlin, maar je zou graag meer willen weten, bijvoorbeeld:

  • Waren er meer van zulke vroegrijpe jongeren die in een dag zijn aangenomen op kunstacademies, maar die uiteindelijk niet verder kwamen dan middelmatigheid of simpelweg mislukten (in wie kunsthistorici natuurlijk niet geïnteresseerd zijn)?
  • Wat was de rol van Picasso’s vader, professor in de kunsten, in de artistieke vroegrijpheid van zijn zoon?
  • Wat als Picasso als meisje was geboren? Zou señor Ruiz evenveel aandacht hebben besteed aan of met zoveel ambitie prestaties hebben gestimuleerd in een kleine Pablita?* (Ik heb natuurlijk meteen gezocht, of er misschien een echte Pablita bestaat, en jawel, daar kwam Pablita Velarde tevoorschijn; zie afbeelding bij deze aflevering en de link onder de afbeelding.)

Wat in al deze verhalen wordt benadrukt, aldus Nochlin, is de schijnbaar wonderbaarlijke, vrij stromende en asociale aard van artistieke prestaties. Het is een half-religieuze opvatting van de rol van de kunstenaar in de negentiende eeuw. Zijn levensbeschrijving lijkt op die van een heilige, vol kritiekloze bewondering. Kunsthistorici, critici en niet in de laatste plaats sommige kunstenaars zelf, hebben de neiging om het maken van kunst tot een vervangende religie te verheffen, alsof dit het laatste bolwerk van hogere waarden in een materialistische wereld zou zijn.*

De kunstenaar, in de negentiende-eeuwse heiligenlegende, strijdt tegen de meest vastberaden weerstand van zijn ouders en sociale omgeving. Hij lijdt onder de ellende van sociale schande, zoals elke christelijke martelaar. Maar uiteindelijk slaagt hij tegen alle verwachtingen in – in het algemeen, helaas, na zijn dood – want vanuit diep in hemzelf straalt die mysterieuze, heilige gloed: Genialiteit.*

Nochlin noemt als voorbeelden ‘de gekke Van Gogh, die ondanks epileptische aanvallen en bijna-verhongering zonnebloemen weet te produceren, Cézanne, die vaderlijke afwijzing en publieke minachting trotseert om een revolutie teweeg te brengen in de schilderkunst; Gauguin, die respectabiliteit en financiële zekerheid met een enkel existentieel gebaar weggooide om zijn roeping in de tropen na te streven; of Toulouse-Lautrec, klein van stuk, kreupel en alcoholist, die zijn aristocratische geboorterecht opofferde voor de smerige omgeving die hem inspiratie gaf.’*

Het zijn voor de hand liggende sprookjes die, aldus Nochlin, geen enkele serieuze hedendaagse kunsthistoricus zomaar voor waar aanneemt.*

Wat is dan het probleem?

*Nochlin, L. (1971). ‘Why Have There Been No Great Women Artists?’ In Women, Art, and Power and Other Essays, pp. 145-178. New York: Harper & Row.

About the author

Susan Hol

Leave a Comment