Feuilleton Abramovic - PhD

Aflevering 652 Kijk eens nuchter en emotieloos naar feitelijke situaties

Élisabeth Vigée Le Brun, Hubert Robert, 1788, olieverf op paneel, 105 x 84 cm, Louvre, Parijs.

Foto gevonden bij ArtSalonHolland.

Als niemand de sprookjes over geniale Wonderjongens gelooft, dan is er toch geen probleem (zie aflevering 651)?

Dus wel, weet Linda Nochlin. Mythologie over artistieke prestaties gaat gepaard met allerlei onbewuste of onbetwiste aannames van wetenschappers, hoezeer er ook informatie beschikbaar is over sociale invloeden, ideeën die in een bepaalde tijd overheersten, economische crises, enzovoort.*

Het onderzoek naar grote kunstenaars kan nog zo verfijnd zijn, altijd ligt de ‘golden nugget’-theorie van genialiteit (zie aflevering 649) erin verborgen, evenals het idee van de vrije geest die tot individuele prestaties komt. Je ziet dit vooral in de kunsthistorische verhandelingen over de individuele kunstenaar die het idee van de grote kunstenaar als uitgangspunt hebben, vertelt Nochlin, en die verder niet veel aandacht besteden aan de sociale structuren en instituties van zijn tijd.*

Op basis hiervan kun je het gebrek aan ‘grote vrouwelijke kunstenaars’ als een syllogisme formuleren, aldus Nochlin.* Een syllogisme is een manier van redeneren in de logica. Je hebt drie proposities (uitspraken die waar of onwaar kunnen zijn):

  1. De majorpremisse (belangrijkste vooronderstelling/uitspraak): ‘Alle mensen zijn sterfelijk’.
  2. De minorpremisse (bijzondere aanname/uitspraak): ‘Socrates is mens’.
  3. De conclusie: ‘Socrates is sterfelijk’.

Het syllogisme dat Nochlin samenstelt gaat als volgt:

  1. Als een vrouw de ‘golden nugget’ van artistieke genialiteit had, dan zou zich dit vanzelf openbaren (majorpremisse, zie aflevering 649 voor de onderbouwing van deze uitspraak).
  2. Maar het heeft zich nooit geopenbaard.
  3. Vrouwen hebben geen ‘golden nugget’ van artistieke genialiteit.

Ofwel, als Giotto di Bondone, de onbekende herdersjongen, en Van Gogh met zijn epileptische aanvallen het hebben gemaakt, waarom vrouwen dan niet?*

Nou, da’s logisch hè. Laat de sprookjeswereld maar eens achter je en de alsmaar zichzelf vervullende voorspellingen (selffulfilling prophecy). Kijk eens met een nuchter, emotieloos oog naar de feitelijke situaties waarin de belangrijke kunstproductie is ontstaan. Zie het grote plaatje met de sociale en institutionele structuren in de hele geschiedenis. Doe dat en je zult zien dat de, voor de historicus, vruchtbare en relevante vragen heel anders zullen zijn.*

Je zult bijvoorbeeld vragen naar de sociale klasse van kunstenaars in de verschillende perioden in de kunstgeschiedenis, tot welke (sub)groepen ze behoorden. Je wilt weten welk deel van de schilders en beeldhouwers, of specifieker, de belangrijke schilders en beeldhouwers, uit een familie van schilders en beeldhouwers komt.*

In de zeventiende eeuw was het immers heel gewoon dat het vak van schilder of beeldhouwer van vader op zoon werd doorgegeven. En ondanks de negentiende-eeuwse verhalen van ‘vadermoord’, was het dagelijkse kost dat zoons – de mindere goden, maar ook de latere ‘grote’ namen – in de voetsporen van vader-de-kunstenaar traden.*

*Nochlin, L. (1971). ‘Why Have There Been No Great Women Artists?’ In Women, Art, and Power and Other Essays, pp. 145-178. New York: Harper & Row.

About the author

Susan Hol

Leave a Comment