Feuilleton Abramovic - PhD

Aflevering 653 Individuele aangeboren genialiteit bestaat niet

Élisabeth Vigée Le Brun, Portret van een jonge vrouw, ca. 1797, olieverf op doek, 82.2 x 70.5 cm, Museum of Fine Arts, Boston.

Foto gevonden bij ArtSalonHolland.

Als het gaat om de relatie tussen artistieke beroepen en sociale klasse (zie aflevering 652), kun je in plaats van ‘Waarom zijn er geen grote vrouwelijke kunstenaars geweest?’ net zo goed de volgende vraag stellen: ‘Waarom zijn er geen grote kunstenaars uit de aristocratie geweest?’, aldus Nochlin.*

Goeie vraag.

Nou, die waren er niet, die aristocratische kunstenaars. Tenminste, niet voor zover Nochlin weet. Zit de adelijkheid dan net als vrouwen zonder ‘golden nugget’ (zie aflevering 649), ofwel genialiteit? Of hebben vrouwen en aristocraten gemeen dat ze simpelweg de tijd niet hadden om zich totaal over te geven aan kunstproductie? Ze waren beiden, de adelijken en de vrouwen, enorm veel tijd kwijt aan verplichtingen, aan de vereiste sociale activiteiten.*

Als je de juiste vragen stelt over de voorwaarden voor kunstproductie, waaronder die van de zogenaamde ‘grote kunst’, moet er ongetwijfeld aandacht zijn voor intelligentie en talent in het algemeen in een bepaalde situatie, aldus Nochlin. Je richt je dus niet alleen maar op zoiets als ‘artistiek genie’. Kijk naar wat Jean Piaget (1896-1980, psycholoog) en anderen hebben benadrukt in hun ontwikkelingstheorie van kennis, schrijft Nochlin. Volgens hen is intelligentie – ofwel ‘genialiteit’ – een dynamische activiteit van iemand in een bepaalde situatie tijdens de ontwikkeling van de rede/het verstand en de ontplooiing van de verbeelding.*

Intelligentie (genialiteit) is dus geen statische essentie, het is niet iets dat je ‘nou eenmaal hebt of niet hebt’. Intelligentie is iets dat je kunt ontwikkelen vanaf je geboorte, stap voor stap, zo blijkt uit verdere onderzoeken naar de ontwikkeling van het kind. Bij de een ontwikkelt zich dat vroeger dan bij de ander, waardoor het voor de naïeve waarnemer misschien lijkt alsof het is aangeboren. Het betekent dat wetenschappers het idee van een individuele aangeboren genialiteit als essentieel voor het creëren van kunst moeten loslaten.*

Het uitwerken van de vraag ‘Waarom zijn er geen grote vrouwelijke kunstenaars geweest?’ heeft Nochlin naar de volgende voorlopige conclusie geleid:

Kunst is geen vrije autonome activiteit van een superbegaafd individu, ‘beïnvloed’ door eerdere kunstenaars en zogenaamde niet specifiek te duiden ‘sociale krachten’. Nee, het is eerder zo dat de totale situatie van kunst maken – waaronder zowel de ontwikkeling van de kunstmaker valt als het soort kunstwerk en kwaliteit van dat kunstwerk – plaatsvindt in een sociale situatie en volledig is opgenomen in de sociale structuur en uitgedragen, ondersteund, bevestigd en vastgesteld wordt door specifieke en bepalende sociale instituties als kunstacademies, beschermingssystemen (patronage), mythologieën over de goddelijke schepper en de kunstenaar als echte (grote sterke ruige) man of sociale verschoppeling.*

*Nochlin, L. (1971). ‘Why Have There Been No Great Women Artists?’ In Women, Art, and Power and Other Essays, pp. 145-178. New York: Harper & Row.

About the author

Susan Hol

Leave a Comment