Feuilleton Abramovic - PhD

Aflevering 655 De valstrik om ergens in uit te blinken

Antonio Bueno, The Painter and the Model, 1952. Erg leuk om te zien dat de maker een eeuwenlange traditie op deze manier op de hak neemt.

Foto vandaag (1 oktober 2020) tegengekomen op Twitter @GiuseppeTurrisi.

De kunststudenten die toevallig vrouw waren hadden totaal geen beschikking over welk naaktmodel dan ook, man noch vrouw (zie aflevering 654).

Als vrouwen al werden toegelaten tot een kunstacademie of atelier, werden ze uitgesloten van de naaktmodeltekensessies. Dit duurde tot laat in de negentiende eeuw. Het eerste begin van naaktmodeltekensessies voor vrouwen bestond uit modellen die dusdanig in lappen waren gewikkeld dat er nog niet veel te zien was. Het formele academische lesprogramma, zo schrijft Linda Nochlin, bestond uit het natekenen van getekende en gegraveerde naakten, vervolgens kregen de studenten les in het tekenen van afgietsels van beroemde beeldhouwwerken, en tot slot leerden ze het levend naaktmodel tekenen.*

Zonder deze laatste ultieme vorm van scholing was het creëren van grote belangrijke kunstwerken onmogelijk, behalve dan misschien als je uiterst handig was. Beroofd zijn van naaktmodeltekensessies is volgens Nochlin vergelijkbaar met een student geneeskunde die geen lichamen mag ontleden of onderzoeken. De meeste kunstenaars (v) kozen eieren voor haar geld en beperkten zichzelf dan maar tot de ‘mindere’ categorieën zoals portret, genre, landschap en stilleven.*

Ik heb dan twee vragen.

  1. Als je dan een kunstenaar in opleiding bent en je bent vrouw, dus je bent uitgesloten van de naaktmodeltekensessies, waarom teken je dan niet het lichaam dat je tot je beschikking hebt: dat van jezelf? Of dat van je zus, of van je medestudent (v)?
  2. Waarom is het geen probleem dat mannen naaktmodeltekensessies bijwonen met een naakte vrouw?

Nochlin geeft geen antwoord op deze vragen. In plaats daarvan gaat ze verder op de, in die jaren 1970 zo noodzakelijke, weg der verwijten met meer voorbeelden van uitsluiting van vrouwen en de manieren waarop.

Maar in het deel De prestatie van de dame van haar essay over het gebrek aan grote vrouwelijke kunstenaars, werpt Nochlin enig licht op mijn twee vragen. Er waren in die negentiende eeuw etiquetteboeken over hoe een dame die schildert zich dient te gedragen. Dit beeld werd versterkt door de literatuur van die tijd.*

Een passende prestatie voor de goed opgevoede jongedame was een bescheidenbekwaam, zelfvernederend niveau van amateurisme. Natuurlijk ging de meeste aandacht van de welopgevoede jongedame uit naar het welzijn van anderen, van haar familie en/of echtgenoot, naar mensen die faliekant tegen welke vorm van prestatie dan ook waren bij welopgevoede jongedames.*

Serieuze toewijding bestaat niet bij een jongedame, welnee, als zij schildert is dat alleen maar lichtzinnige genotzucht, loze bedrijvigheid, bezigheidstherapie. Deze en vele andere ‘wijsheden’ werden gelezen in het in Amerika en Engeland beroemde boek: The family monitor and domestic guide, van mrs. Ellis, gepubliceerd in 1844.*

Mrs. Ellis waarschuwt vrouwen voor de valstrik om te hard te proberen in één ding uit te blinken …*

*Nochlin, L. (1971). ‘Why Have There Been No Great Women Artists?’ In Women, Art, and Power and Other Essays, pp. 145-178. New York: Harper & Row.

About the author

Susan Hol

Leave a Comment