Feuilleton Abramovic - PhD

Aflevering 674 Wortels van vrouwenonderdrukking (2)

Susan Hol, Schaatsenrijdertje, 2012.

Liggen de wortels van vrouwenonderdrukking in de prehistorie? Opvallend genoeg hebben velen ongeveer hetzelfde verhaal als het gaat over vrouwen en mannen in de prehistorie. Elke keer weer komen daar de man als jager en de vrouw als zwangere thuiszitter naar voren. Best bijzonder, want wat kun je nou weten van mensen die in een duister, niet beschreven verleden hebben geleefd?

Tot aan het begin van de negentiende eeuw namen de schrijvende mannen, waaronder wetenschappers, aan dat het universum niet bestond voor oktober 4004 v.Chr., weten de beide Davids* te vertellen (zie ook aflevering 673). De beide Davids zijn, om precies te zijn, de antropologieprofessor Graeber (1961-2020) en archeologieprofessor Wengrow (1972). Zij zijn in het verleden van hun eigen professie gedoken naar aanleiding van gloednieuwe bevindingen in hun vakgebied door recente opgravingen. Ze snappen door die nieuwe informatie niet meer het centrale uitgangspunt in de eeuwenlange wetenschappelijke vakliteratuur: het idee dat de mens ooit in een idyllische toestand leefde (het paradijs-eva-adam-verhaal) tot het ergens zo grondig misging dat er sociale ongelijkheid ontstond.

Aan de basis van dit centrale uitgangspunt staat wat hen betreft het Discours sur l’origine et les fondements de l’inégalité parmi les hommes van Zwitsers-Franse filosoof Jean-Jacques Rousseau (1712-1778) uit 1754. Het essay is een gedachtenexperiment van Rousseau, over de oorsprong en fundamenten van sociale ongelijkheid ‘parmi les hommes’. Letterlijk vertaald betekent ‘parmi les hommes’ ‘onder mannen’, waar het essay in feite ook over ging, alleen leefde toen het idee dat je met ‘hommes’ bedoelde ‘de mensheid’.

De beide Davids nuanceren de bijdrage van Rousseau aan het paradijselijke-toestand-idee door erop te wijzen dat vooral allerlei anderen met het essay aan de haal zijn gegaan. De mens is van nature goed, zo beweert Rousseau, en een echo hiervan klinkt in vele geschriften in de eeuwen erna, waarvan misschien wel de meest recente De meeste mensen deugen van Rutger Bregman is (2021). Het verhaal van Rousseau over de oorspronkelijke onschuld van de mens is onderwezen, bediscussieerd en uitgeplozen in talloze klaslokalen. Voor het gevoel van Graeber en Wengrow zit daardoor bijna iedereen vast in dezelfde val, een zoektocht naar waar het dan precies misging en sociale ongelijkheid begon.

We zijn de erfgenamen van een eeuwenoud verhaal over de oorspronkelijke onschuld van de mensheid en de almaar opdoemende ongelijkheid. We zitten kortom opgezadeld met vastgeroeste visies. Dat ene verhaal stamt uit een tijd dat mannen geloofden in grote verhalen van Een Grote Man, alsof een idee zomaar uit het niets in iemands brein kon verschijnen in plaats van dat er sprake was van een gezamenlijk rijpingsproces, van toenemend inzicht door levendige debatten en doorwrochte correspondentie.

De beide Davids zochten en vonden een ander uitgangspunt voor de mens vanaf het begin der tijden, namelijk als project van collectieve zelfcreatie, als fantasierijke, intelligente, speelse wezens. Niet een verhaal over hoe we een idyllische staat van gelijkheid zijn kwijtgeraakt, maar uitzoeken hoe strakke conceptuele ketens het vrijwel onmogelijk maken om onszelf opnieuw uit te vinden.

*David Graeber en David Wengrow, The dawn of everything. A new history of humanity, 2021, e-book.

About the author

Susan Hol