Feuilleton Abramovic - PhD

Aflevering 692 Wortels van vrouwenonderdrukking (20)

Susan Hol, Mont Blanc Portret, 2012.

Een van de eerste Noord-Amerikaanse samenlevingen die door Europese ontdekkingsreizigers zijn beschreven in de zestiende eeuw, zijn de Calusa (kah loos ah). Graeber en Wengrow bespreken deze mensen om – met enige tegenzin – te laten zien dat soms de economische basis van een samenleving een hiërarchisch koninkrijk(je) kan voortbrengen (zie ook aflevering 691). Zij noemen de Calusa een niet-agrarisch volk met een klein koninkrijk. Er werd geregeerd vanuit de hoofdstad Calos, wat tegenwoordig bekend staat als Mound Key (link gaat naar site Mound Key Archaeological State Park), een dertig hectare groot complex van hoge schelpenheuvels. De Calusa leefden voornamelijk van vis, schaaldieren en grotere zeedieren, aangevuld met herten, wasberen en een verscheidenheid aan vogels. Het volk bezat ook een vloot oorlogskano’s. Ze pleegden daarmee militaire aanvallen op nabijgelegen bevolkingsgroepen. Hun buit bestond uit bewerkte voedingsmiddelen, huiden, wapens, barnsteen, metalen en slaven.*

De Spanjaarden die zich in 1513 in de buurt van de Calusa waagden, werden opgewacht door een goed georganiseerde vloot, bemand door zwaarbewapende mensen. Volgens de beide Davids weigeren sommige historici koppig om de Calusa-leider een koning te noemen en hanteren ze hardnekkig termen als ‘opperhoofd’. De Davids lezen echter in de oude verslagen uit de eerste hand dat er in alle opzichten sprake is van een koning, omdat hij – net als Europese vorsten – een verheven status heeft, het alleenrecht bezit op koninklijke uitdossing en statussymbolen (zoals een troon) en absolute macht heeft. De wil van de Calusa-leider was wet en op ongehoorzaamheid stond de doodstraf. Hij werd gegroet door knielende onderdanen, was omgeven door een heersende klasse van krijgsmannen en priesters en wijdde zich met die heersende klasse grotendeels aan de staatszaken.*

Verder had deze koning de beschikking over diensten van gespecialiseerde ambachtslieden, waaronder metaalbewerkers die zilver, goud en koper bewerkten, en hield hij er vreemde praktijken op na: als een Calusa-heerser of zijn belangrijkste vrouw kwam te overlijden, werd een bepaald deel van de zonen en dochters van de onderdanen gedood. Minder is bekend over de economische basis voor het hofleven. Er waren wel complexe systemen van toegang tot buitengewoon rijke visgronden aan de kust. Verder waren er door de bevolking gegraven kanalen en kunstmatige vijvers in de Everglades (subtropisch moeraslandschap) aan de kust, wat permanente – dus niet-seizoensgebonden – nederzettingen mogelijk maakte. Al verspreidden de meeste Calusa zich in bepaalde tijden van het jaar, toen grote steden kleiner werden, nog steeds naar vis- en verzamelplaatsen.*

Kortom, willen de Davids maar zeggen, bij de Calusa was in alle opzichten sprake van vastzitten in een enkele economische en politieke modus die extreme vormen van ongelijkheid mogelijk maakte. Maar dit volk deed dat zonder ooit een enkel zaadje te planten of een enkel dier vast te binden, ofwel zonder ooit landbouwers te worden. Dus wat moet je dan als aanhanger van de opvatting dat landbouw een noodzakelijke basis is geweest voor duurzame ongelijkheden? Wel, aldus de Davids, je kunt een volk als de Calusa negeren of je beweert simpelweg dat hier sprake is van een soort onbeduidende afwijking. Je komt met allerlei onlogische beweringen, bijvoorbeeld dat het geen echte verzamelaars zijn, of dat ze op een andere manier boeren zijn, met wilde gewassen, of dat ze misschien zijn blijven steken in een bepaalde overgangsperiode richting het boerenberoep.*

Graeber en Wengrow geven de voorkeur aan een samenhangender benadering. Verzamelaars, zo schrijven ze, zijn populaties die niet afhankelijk zijn van biologisch gedomesticeerde planten en dieren als hun primaire voedselbronnen. Dus, vervolgen ze (een beetje boos, lijkt het), als blijkt dat een flink aantal van hen in feite complexe systemen van grondbezit hanteerde, of koningen aanbad, of slavernij beoefende, dan worden zij door dit veranderde beeld van hun activiteiten niet ineens ‘proto-boeren’. Daarnaast is de uitvinding van eindeloze subcategorieën, zoals ‘complexe’ of ‘welvarende’ of ‘uitgestelde-terugkeer’ jager-verzamelaars gewoon een andere manier om ervoor te zorgen dat dergelijke volkeren vast blijven zitten in de westerse duiding van ‘wilde’ of ‘primitieve’. Hun geschiedenis moest gedefinieerd en beperkt blijven door hun bestaanswijze – alsof het mensen waren die eigenlijk de hele dag zouden moeten luieren, maar om de een of andere reden op de zaken vooruitliepen.*

Maar natuurlijk, zo sluiten de Davids dit stukje af, was die westerse-geleerden-vooronderstelling in beginsel simpelweg fout.*

*David Graeber en David Wengrow, The dawn of everything. A new history of humanity, 2021, e-book.

About the author

Susan Hol

Ontdek meer van Susan Hol

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Verder lezen