Filosofie

Heidegger, schone kunst en de schoenen van Van Gogh

Vincent van Gogh (1853 – 1890), Parijs, september-november 1886.

Afbeelding gevonden bij vangoghmuseum.nl.

Parijs, 1886. Vincent van Gogh struint de vlooienmarkt af. Zijn oog valt op een paar oude, verfomfaaide schoenen. Kale plekken op het leer accentueren de vorm van de voeten van de drager: rechts een knobbel bij de grote teen, links een ietwat holle voet. De veters op beide schoenen rafelen. Van Gogh weet een mooi prijsje te matsen bij de verkoper. Hij trekt de lompe stappers aan om er eens flink mee door de modder te stampen, net zo lang tot hij ze interessant genoeg vindt om te schilderen. Zo wordt het bruikbaar materiaal voor een stilleven waarin hij iets van het harde arbeidersleven kan uitdrukken.1

Freiburg, begin jaren 1950. Martin Heidegger, Duits filosoof (1889-1976), ziet in het schoenenschilderij van Van Gogh ook bruikbaar materiaal. Hij verwijst naar het schilderij in zijn essay Der Ursprung des Kunstwerkes (1950, De oorsprong van het kunstwerk). Het schilderij doet daar dienst als illustratie bij zijn uiteenzetting over het algemene wezen van de kunst.

Hij schrijft: ‘In het schilderij van Van Gogh geschiedt de waarheid.’ 2

Het wezen van een kunstwerk en de aardse cyclus
Hiermee wil hij niet zeggen dat de schoenen correct zijn afgebeeld, maar dat het wezen van deze schoenen te zien is in het schilderij. Met ‘wezen’ bedoelt Heidegger ’wereld’ en ‘aarde’. Over ‘aarde’ schrijft hij dat het ‘datgene [is] waarin het opkomen alles wat opkomt als zodanig weer terugneemt en bergt.’3 Klinkt fraai en ingewikkeld … wat betekent het?

Volgens mij gaat het over de aardse cyclus van opkomen en vergaan, met als meest simpele voorbeeld een plant die in de lente uit de grond omhoog komt, ontspruit, tot volle bloei komt en ten slotte afsterft en weer in de aarde verdwijnt. Heideggers beschrijving van ‘wereld’ verschilt hier niet heel veel van: het gaat om iets ongrijpbaars, namelijk hoe wij ons leven vormgeven en onze onderworpenheid aan de cyclus van geboorte en dood. 

Met ‘wereld’ en ‘aarde’ – ofwel ‘wezen’ – wil Heidegger iets duidelijk maken over het kunstwerk van Van Gogh. Hij beweert dat ‘de aarde is wat zich wezenlijk sluit’4 en dat een kunstwerk deze aarde ontsluit. Hoe vaag dit ook lijkt, ik meen hieruit te lezen dat een werk iets wezenlijks zichtbaar maakt, namelijk het tot leven komen. In een werk komt, aan de hand van mijn simpele voorbeeld, de in de aarde verstopte onzichtbare plant omhoog en wordt van iets ongrijpbaars een zichtbare plant. Ongrijpbaar, want ‘groeien’ is niet iets concreets, tastbaars. Met het zichtbaar maken van iets ongrijpbaars, wordt een wereld zichtbaar: de wereld van de plant, de wereld van de schoenen van Van Gogh, het komen en vergaan van planten en schoenen.

In de zoektocht van Heidegger naar de oorsprong van het kunstwerk, gaat het om het werk zelf, om het verhelderen van iets ongrijpbaar wezenlijks in het werk. Het kunstwerk heeft zijn volle aandacht en moet volgens hem ook op zichzelf staan, want ‘Hoe eenzamer het werk […] in zich staat, hoe zuiverder het zich van alle betrekkingen tot de mens schijnt lost te maken’5. En dat is nodig om het werk ten volle te laten zijn.

Over het werk zelf zegt Heidegger dat het uitsluitend thuishoort ‘in het domein dat door het werk zelf wordt geopend’6. Hiermee bedoelt hij volgens mij dat het werk zelf een wereld op zich is, waarbij wereld denk ik bedoeld wordt als iets onvoorwerpelijks, onvoorwerpelijk in de letterlijke zin van: geen voorwerp.

Dit lijkt een contradictie: een voorwerp, het werk (schilderij of beeld dat ik kan aanraken) is onvoorwerpelijk: geen voorwerp. Maar volgens mij bedoelt Heidegger niet dat het schilderij of beeld zelf geen voorwerp is, maar dat het werk, als het eenmaal gemaakt is, méér is dan een voorwerp alleen. Dat ‘meer’ zit hem dan niet in het tastbare object, maar in de uitbeelding. Als ik bijvoorbeeld de door Van Gogh geschilderde schoenen bekijk, zie ik niet de werkelijke schoenen die de schilder zelf gezien moet hebben toen hij ze gebruikte als voorbeeld om op het doek te zetten. De schoenen op het schilderij vormen een wereld op zich, de wereld van de geschilderde schoenen. Ze staan los van de werkelijke schoenen die een gebruiksvoorwerp waren. Het materiaal dat de schilder gebruikt, de verf, wordt niet verbruikt maar ‘gaat schitteren’7.

Er gebeurt blijkbaar volgens Heidegger iets extra’s met de door de kunstenaar gebruikte verf. Meer dan met verf gebruikt door de huisschilder. De huisschilder verbruikt de verf wel. In haar werk staat het materiaal voorop. Bij het werk van de kunstenaar verdwijnt volgens Heidegger als het ware het werkmateriaal. Het wordt ondergeschikt aan de wereld die het kunstwerk tentoonspreid.

Hoe ik mij dat moet voorstellen blijft een lastige kwestie. In eerste instantie, als ik bijvoorbeeld kijk naar de schoenen die Van Gogh heeft geschilderd, let ik inderdaad niet op het materiaal en ben ik bezig met de indruk die het werk op mij achterlaat. Maar in tweede instantie kijk ik naar de streken van het penseel in het werk, de klodders verf die Van Gogh vaak gebruikt. Op zo’n moment verdwijnt het werk naar de achtergrond en bestaat voor mij even alleen het materiaal.

Het schone/ongrijpbaar wezenlijke van een kunstwerk
Het wezen van het schoenenschilderij van Van Gogh hangt samen met het schone dat de kunst voortbrengt, volgens Heidegger.

‘In de schone kunst is het niet de kunst die schoon is, maar ze heet zo omdat ze het schone voortbrengt.’8

Als Heidegger het over kunst heeft, bedoelt hij het werk. In dat werk zelf moet dus iets zitten dat het schone voortbrengt. Gezien hetgeen Heidegger naar voren heeft gebracht over het werk zelf (zie hierboven), lijkt het mij dat hij met het schone doelt op het ‘algemene wezen der dingen’, op het ongrijpbare wezenlijke van een werk. De schoenen die Van Gogh heeft geschilderd zijn op zichzelf niet ‘schoon’, maar het schone zit hem in hetgeen de afbeelding naar voren brengt: een wereld die groter is dan alleen deze schoenen, het bij wijze van spreken omhoogkomen, groeien van de plant uit de grond. Heidegger heeft het over ‘wereld’ en ‘aarde’, ik zou liever spreken over hetgeen de afgebeelde schoenen oproepen. Als ik naar de schoenen kijk, zie ik niet alleen de schoenen, maar ook stel ik me een eigenaar van deze schoenen voor, een leven in deze oude, afgetrapte schoenen, een kunstenaar die de moeite neemt deze schoenen te schilderen en ze dusdanig te schilderen dat ze losgetrokken worden van het concrete bestaan van de schoenen. 

Maar een kunstwerk staat niet alleen, het maakt meestal deel uit van verzamelingen en tentoonstellingen. Heidegger: ‘Zijn ze hier niet eerder tot objecten geworden van het kunstbedrijf?’9 Heidegger vraag zich af waar het werk zelf is gebleven te midden van alle ‘bedrijvigheid’, ofwel de bemoeienissen van publiek, ambtelijke instellingen, kunstkenners, kunstcritici, kunsthandel en kunstgeschiedenis (‘Maar is wat zich in heel die bedrijvigheid aan ons voordoet het werk zelf?’10).

Kunstwerken zijn volgens Heidegger voorwerpen van het kunstbedrijf geworden, ze zijn letterlijk voorwerp geworden en hebben daarmee een bepaald soort eigenheid verloren. Deze opmerking van Heidegger doet denken aan het beroemde opstel van Walter Benjamin: Het kunstwerk in het tijdperk van zijn technische reproduceerbaarheid. Het is een onderzoek naar het effect van moderne technische reproductiemiddelen, zoals fotografie en film, op de traditionele kunst. Volgens hem heeft het kunstwerk ‘in het tijdperk van de technische reproduceerbaarheid’ haar ‘aura’ verloren.11 Wat betekent dat het unieke kunstwerk, bijvoorbeeld het schilderij van de bemodderde schoenen van Van Gogh, negatief beïnvloed wordt door technische reproducties, door een fotoafdruk van het kunstwerk op posters, servies, placemats, ansichtkaarten, pennen, dekbedden, bekers enzovoort.

Of Heidegger bekend was met het werk van Benjamin weet ik niet. In ieder geval had Van Gogh, toen hij liep te struinen op de vlooienmarkt, totaal geen idee dat zijn werk ooit de tafel zou dekken.

  1. Zie ook: Van Gogh museum
  2. Heidegger, De oorsprong van het kunstwerk, vertaling door Mark Wildschut & Chris Bremmers. Amsterdam Meppel: Boom, 1996, p. 45.
  3. Ibid., p. 33.
  4. Ibid., p. 37.
  5. Ibid., p. 55.
  6. Ibid., p. 32.
  7. Ibid., p. 38.
  8. Ibid., p. 27.
  9. Ibid., p. 31
  10. Ibid., p. 31
  11. Benjamin, W. 1985. Het kunstwerk in het tijdperk van zijn technische reproduceerbaarheid, vert. H. Hoeks. Nijmegen: Sun, p. 13-14.


About the author

Susan Hol

Leave a Comment